Een brief van minister Ollongren (25-10-2019)

Afbeelding Fred Veenstra

Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters houdt gegevens bij over alle leden. Het is overigens een modernere club dan de naam doet vermoeden, maar dat terzijde. Het genootschap heeft nu uitgerekend dat de gemiddelde burgemeester in ons land 56 jaar is, 9 dienstjaren heeft, daarvoor wethouder was en nu 60 uur per week werkt. Dat maakt mij tot de gemiddelde burgemeester, want ik voldoe op dit moment aan alle criteria. Of ik daar blij mee moet zijn weet ik niet. Het is niet anders. Maar gemiddeld als ik ben wil ik reageren op een brief die ik onder ogen kreeg van onze minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw Ollongren. Zij schreef die brief vorige week aan de Tweede Kamer. Het onderwerp is de Toekomst van het Openbaar Bestuur. Een belangrijk onderwerp. En ook een belangrijke brief, want de minister zet een aantal lijnen uit voor de komende jaren.

De manier waarop in ons land de taken, bevoegdheden en organisatie van Rijk, provincies en gemeenten zijn geregeld wordt wel omschreven als “het huis van Thorbecke”. Het was minister Thorbecke die rond 1850 zorgde voor een nieuwe grondwet en de provincie-en gemeentewet. Nog steeds de basis voor ons staatsbestel. En zo nu en dan heeft ons bestel, het huis, onderhoud nodig. Het moet worden aangepast aan de eisen van de tijd. Voor zo’n aanpassing heeft minister Ollongren nu een aanzet gegeven. Ze gaat vooral in op de positie van de gemeente. De gemeente, zo stelt ze, is voor de inwoners het gezicht van de overheid. De gemeenten verdienen waardering voor de manier waarop ze werken, maar de grenzen komen in zicht. Of het nu het sociaal domein is, de omgevingswet, de bestrijding van ondermijning, of de behoefte aan nieuwe vormen van democratie, er ontstaat een disbalans tussen de uitdagingen en mogelijkheden die een gemeente heeft. De minister vindt dat gemeenten daarbij hulp nodig hebben. En ze beschrijft in de brief een aantal oplossingsrichtingen. Die hoeven niet voor iedere gemeente hetzelfde te zijn, omdat Amsterdam en Schiermonnikoog ook niet gelijk zijn. Samenwerking tussen gemeenten kan intensiever, maar dan wel met meer controlemogelijkheden vanuit de gemeenteraden.

De minister wil het idee van een federatie-gemeente nader uitwerken. Of hoe in plaats van een gemeenschappelijke regeling taken kunnen worden overgeheveld naar een centrumgemeente of de provincie. Met een betere rekenkamerfunctie kan de gemeenteraad ook het college van B en W beter controleren. En waarom zouden er geen verschillen mogen zijn in de manier waarop een gemeente wordt bestuurd. Zelf bepalen hoeveel raadsleden er zijn en hoe er wordt vergaderd. Zelf bepalen of er wijk-of dorpsraden zijn en met welke bevoegdheden. Zelf bepalen of via het Right to Challenge inwoners ook zelf met goede plannen kunnen komen. De minister vindt dat de positie van de burgemeester (ik lees: de aanstellingswijze) in de bredere context van de toekomst van het lokaal bestuur moet worden gezien. Ook over de financiële mogelijkheden wordt iets gezegd. Nu zijn gemeenten voor hun inkomsten grotendeels afhankelijk van het Rijk. Als gemeenten meer verschillend worden zouden ze ook een groter eigen belastinggebied kunnen hebben. Maar een beslissing daarover moet door een volgend kabinet worden genomen staat in de brief.

Een hele serie interessante gedachten van de minister. En het is goed dat ze dit op papier heeft gezet. De brief biedt stof tot nadenken. Maar tegelijkertijd zie ik dat er in onze gemeente en in onze provincie al een heleboel gebeurt waar de minister over schrijft. We zijn in De Fryske Marren bezig met onze lokale democratie. Rond het Tsjûkemar nemen inwoners allerlei initiatieven om het gebied een impuls te geven. In Bakhuizen is het dorp zelf aan de slag met mooie plannen. Het Right to Challenge zal bij ons binnenkort ook gaan gelden. En zijn we in onze provincie op dit moment ook niet aan de slag met nieuwe vormen van samenwerking? De Regionale Energiestrategie, de Veenweidevisie, de Omgevingswet, personeelsbeleid en nog veel meer onderwerpen worden door gemeente, provincie en waterschap gezamenlijk opgepakt. In Fryslân gebeurt dus al veel van wat de minister in haar brief beschrijft.

Moeten we Fryslân maar aanmelden als proeftuin voor echte ontwikkelingen op het gebied van het lokaal bestuur? Wie weet komen de plannen van de minister dan sneller tot uitvoering dan ze zelf voor mogelijk houdt.

Weblog burgemeester Fred Veenstra.